Irregular verbs

The sad thing for languages like Dutch and English is that most of the frequently used verbs are irregular. I'll list the most important ones, but before I do that I have a few remarks.

Infinitive (translation)    Past            Pastparticiplebakken (bake)               bakte           gebakkenbeginnen (begin)            begon           begonnen *bewegen (move)              bewoog          bewogenbieden (offer)              bood            gebodenbinden (bind)               bond            gebondenblijken (appear)            bleek           gebleken *breken (break)              brak            gebrokenbrengen (bring)             bracht          gebrachtbuigen (bend, bow)          boog            gebogendenken (think)              dacht           gedachtdoen (do)                   deed            gedaandragen (carry, wear)        droeg           gedragendrinken (drink)             dronk           gedronkendwingen (force)             dwong           gedwongeneten (eat)                  at              gegetengaan (go)                   ging            gegaan *gelden (be valid)           gold            gegoldengenieten (enjoy)            genoot          genotengeven (give)                gaf             gegevenhangen (hang)               hing            gehangenhebben (have)               had             gehadhelpen (help)               hielp           geholpenheten (be called)           heette          gehetenhoeven (need (denying))     hoefde          gehoevenhouden (hold)               hield           gehoudenkiezen (choose)             koos            gekozenkijken (look, watch)        keek            gekekenklinken (sound)             klonk           geklonkenkomen (come)                kwam            gekomenkopen (buy)                 kocht           gekochtkunnen (can, be able to)    kon             gekundlachen (laugh)              lachte          gelachenlaten (let)                 liet            gelatenlezen (read)                las             gelezenliggen (lay)                lag             gelegenlijken (look like)          leek            gelekenlopen (walk)                liep            gelopen (*)moeten (have to, must)      moest           gemoetenmogen (be allowed, may)     mocht           gemogennemen (take)                nam             genomenroepen (call)               riep            geroepenschenken (give, (poetic))   schonk          geschonkenscheppen (create)           schiep          geschapenschieten (shoot)            schoot          geschotenschuiven (shift, push)      schoof          geschovenslaan (beat)                sloeg           geslagenslapen (sleep)              sliep           geslapensluiten (close, shut)       sloot           geslotenspreken (speak)             sprak           gesprokenspringen (jump)             sprong          gesprongen (*)staan (stand)               stond           gestaansteken (sting, stab)        stak            gestokensterven (die)               stierf          gestorventreffen (hit)               trof            getroffentrekken (pull)              trok            getrokkenvallen (fall)               viel            gevallenvangen (catch)              ving            gevangenvergeten (forget)           vergat          vergeten (**)verliezen (loose)           verloor         verloren (**)vinden (find)               vond            gevondenvliegen (fly)               vloog           gevlogen (*)voorkómen (prevent)         voorkwam        voorkomenvóórkomen (happen)          kwam voor       voorgekomen *vragen (ask)                vroeg           gevraagdweten (know (something))    wist            gewetenwijzen (point)              wees            gewezenwinnen (win)                won             gewonnenworden (become)             werd            geworden *zeggen (say)                zei             gezegdzien (see)                  zag             gezienzijn (be)                   was             geweest *zingen (sing)               zong            gezongenzinken (sink)               zonk            gezonken *zitten (sit)                zat             gezetenzoeken (look for)           zocht           gezochtzullen (will, shall)        zou